zondag 24 februari 2013

Op een dag, als we oud zijn



Op een dag, als we oud zijn

One day baby, we'll be old
Oh baby, we'll be old
And think of all the stories that we could have told
(Asaf Avidan)

Proloog

Een paar jaar geleden. Het was hoogzomer. Vanessa en Daniël lagen op de grond in het gras. Ze zagen sterretjes doordat ze de hele tijd naar de zon staarden. Daniël sloeg zijn arm om Vanessa’s schouders en fluisterde haar zachtjes in haar oor dat als ze later samen honderddrieënveertig jaar oud zouden zijn, ze nog altijd naar dit park zouden komen. Ik zag hen zitten, bejaard,

volledig in het wit: berijmde takken, zilverwit gras. Eendjes zullen verwoed en om de beurt peddelen om een klein stuk in de vijver ijsvrij te houden en zo in hun voedsel te voorzien. In hun dikke mantels zullen ze hen rustig gadeslaan. Ze zullen zich niet meer moeten haasten. Daniël zal Vanessa hebben overtuigd om hun schaatsen mee te brengen. Straks zullen ze schaterlachend dansen op het ijs.
Er zullen geen zorgen meer zijn. Overal zijn ze thuis geweest. Daniël zal tot op die dag een gepassioneerde fotograaf zijn. Het schrijven van recensies over ballet- en operaproducties zal Vanessa een rustige voldoening geboden hebben. Uit de kuiltjes in Vanessa’s wangen en de lachrimpels rond haar ogen zal blijken dat ze op een ingetogen manier gelukkig is geworden.
Misschien zullen ze kinderen hebben. Dan zullen hun kleinkinderen er die dag bij zijn. Door de bomen zal hun gelach en hun geloop weerklinken. Ze zullen oud brood voeren aan de eenden, die een kring om de kinderen vormen.
Vanessa zal nog niet weten dat Daniël haar die avond uit eten zal vragen naar het kleine restaurant waar zij veertig jaar geleden voor het eerst samen naar toe gingen. Daarna zullen ze naar het ballet gaan. Twee kaartjes voor de beste plaatsen. Zij zal haar lange beige kleed dragen. Het zal haar ondanks het verstrijken van vele jaren, als gegoten passen. Daniël zal met tranen in zijn ogen naar Vanessa kijken, die nog steeds zijn strik van zijn smoking moet knopen. Hij zal zoals altijd  verlegen om zijn tranen, zijn blik afwenden. Aan haar vinger zal ze haar verlovingsring dragen…

I

De wekker rinkelt al even als Vanessa haar hand uitstrekt en ernaast grijpt. De wekker valt met een doffe klap op de grond. Het lijkt nog nacht. Ze stelt het rillend moment van opstaan zo lang mogelijk uit als haar plichtsbewuste geest haar toelaat. Met opzet slaat ze het dekbed helemaal open, waardoor ook Daniël geen donsdeken meer heeft, die trekt hij half soezend weer tegen zich aan. Terwijl ze in het duister met haar handen gestrekt voor zich haar weg naar haar kleerkast zoekt – het licht werkt nog altijd niet – stoot ze voor de zoveelste keer haar grote teen tegen de kartonnen doos die er al zeker een half jaar staat. “Au.” Nadat ze een legging en een slobbertrui heeft gevonden, slaat ze de kastdeur zo hard mogelijk dicht. Ze weet dat ze vervelend doet. In het licht van de straatlantaarns kijkt ze naar haar rij schoenen, twijfelt even en gaat dan dapper voor haar mooie, maar niet zo praktische, witte laqué pumps.

De lucht licht wit op door de voorbijrijdende tram. Met andere schoenen was ze beginnen lopen. Nu overweegt ze het zelfs niet. Vanessa ziet zichzelf al vallen, of erger: een mal figuur slaan. De kerkklok luidt kwart voor acht. Dan maar de andere tram, via de steeg. Het heeft vannacht geregend en een grote plas ligt over de volledige breedte van de onverharde weg. Helemaal tegen de gevel van het aanpalende huis is het water het minste diep. Op haar tippen en met zo groot mogelijk passen loopt ze erdoor. Een blaffende hond komt haar met zijn baasje tegemoet en springt vrolijk tegen haar op. “Af, af, Billie,” roept het baasje nog, maar het is al te laat: zwarte pootjes staan op haar witte jas. Ze vloekt binnensmonds. De man loopt gewoon door.
Poolse en joodse kinderen zijn op weg naar school met of zonder hun moeders. Er zitten een paar dronkaards op een bank op het pleintje. Fietsers rijden tegen de richting in, door het rood en op de stoep. Ze probeert twee orthodox joodse mannen voorbij te steken. Over hun hoeden hebben ze plastic zakken getrokken. Hun gewoontes doen haar nog steeds meewarig lachen.
Voor het rood licht ziet ze een tram aankomen. Nu haalt ze hem, denkt ze. Zo snel als ze op haar hakken kan, loopt ze de straat over. Het moet een belachelijk gezicht zijn. Een wagen toetert woest, maar de tram staat er nog. Het piepsignaal kondigt het sluiten van de deuren aan. Ze kan er niet meer bij (iedereen moet ... = zo verwoorden = ergernis) iedereen zo nodig aan de tramdeuren wil blijven staan in plaats van door te schuiven. Ze propt zich er toch nog bij, duwt de mensen voor haar gewoon verder de tram in en staat intiem dicht bij een man  die uit zijn mond ruikt. Haar hoofd wendt ze zo ver mogelijk van hem af. Het piepsignaal kondigt opnieuw het sluiten van de deuren aan en deze keer lukt het. Ze kan geen kant meer op. Aan elke halte moet ze uitstappen en nadien haar plaats in de tram veilig stellen. Angstvallig ziet Vanessa de minuten op de tikklok verspringen: vier voor acht, drie voor acht, drie over acht. Aan de halte Diamant moet ze eruit. Een zwarte man in maatpak en met hoed maakt voor haar de weg vrij door de mensenmassa. Zo goed en zo kwaad als ze kan, zet ze het op een lopen. Op de roltrap slalomt ze links en rechts tussen de mensen door. In de stationshal ziet ze nog net hoe op het scherm met de treinregeling haar trein uitflitst.
Op dat moment besluit ze om die dag niet te gaan werken.

De mensen stromen aan haar voorbij, ze heeft tijd om de etalage van de joodse bakker te bekijken. De Chinees van de nachtwinkel met zijn dikke zwarte snor herkent haar en roept haar van aan de overkant goedemorgen toe. Aan de fitness bedenkt ze dat ze nu de kans heeft om een yogales te volgen. Even aarzelt ze nog omdat ze geen andere kledij bij zich heeft, maar ze heeft geen zin om terug naar huis te gaan. Met haar legging moet het wel lukken.

Het is een helderblauwe maar ijskoude dag geworden. Dromerig dwaalt ze door Antwerpen. Werklui van de stad halen de kerstverlichting naar beneden. Haar keel knijpt samen. Bij de tweedehandsboekenwinkel gaat ze alle rekken af en kiest twee romans uit. Wat is ze kalm zonder Daniël, die al lang buiten zou staan wachten. Op de hoek van de straat ziet ze een koffiebar. Het is er verlaten op de man aan de espressomachine na. Ze staat even te dralen. De man heeft haar gezien en lacht haar toe. Betrapt wendt Vanessa haar blik af. Een plaats aan het raam of vlakbij hem? Ze kiest voor het raam. Hij brengt haar een grote kom donkere dampende koffie. Vanessa warmt haar handen er rond. Steels kijkt ze naar de man die vrolijk afwast. Even maakt hij een rondedans. Hij moet haar blik hebben opgevangen, want hij zegt: “Ik ben Markus. Ik denk niet dat ik je hier al eerder heb gezien.” Hij heeft een Nederlandse tongval. Markus. Ze moet denken aan een liefje, lang geleden, die haar had leren zeilen met een catamaran.
“Ik ben Vanessa,” zegt ze en steekt een lok van haar bruine krullen achter haar oor. Haar hand trilt. Hopelijk ziet hij dat niet. Vanuit haar ooghoeken kijkt ze nog eens naar hem. Wat een levenslust bij het afdrogen! Haar boek ligt nog steeds open op de eerste bladzijde.
De bar stroomt vol met studenten, het is twaalf uur. Met al die mensen durft ze hem weer openlijk te bestuderen. Hij draagt cowboylaarzen. Met het geruite hemd erbij ziet ze hem al paardrijden op een Texaanse range. Hij is nu druk bezig met het opnemen van bestellingen en het zetten van koffie. Zijn aandacht is ze kwijt. Teleurgesteld leest ze nog maar eens de eerste bladzijde in haar boek.
Op haar werk zouden ze zich nu vast afvragen waar ze was. Ze begon zich al zorgen te maken over haar impulsieve beslissing. Daniël zou zich hierover nooit druk maken. Die trekt zich nergens iets van aan.
In paniek staat ze op en betaalt. Markus buigt zich even naar haar toe en fluistert in haar oor dat ze mooi is. Vanessa krijgt een blos. “Kom je nog eens langs, koffie drinken? Dan trakteer ik jou.” Verward knikt ze.

Buiten adem loopt ze naar de kaaien. Er klopt iets in haar keel. De wind doet haar haren alle richtingen uitwaaien. Met gesloten ogen wendt ze haar gezicht naar de zon.  Ze wil voelen dat ze leeft, maar alles wat ze voelt is angst omdat ze niet durft.
Wat zou het mooi zijn om opnieuw te kunnen beginnen. Nooit meer naar dat duffe kantoor moeten terugkeren. Met de koffieman een koffiebar annex boekenwinkel te beginnen. Het rad van de kerstmarkt staat er nog. Aan de rand van de Schelde gaat ze zitten en slaat haar armen rond haar knieën. Ze huilt. Even maar.
“Can I help you, madame? Why are you so sad?”
Met haar mouw veegt ze haar tranen af. Naast haar staat een man. Normaal negeert ze mannen die haar op straat aanspreken. Met zijn lang grijze haar dat hij in een vlecht draagt en zijn verweerd gezicht, is hij echter anders dan de jonge kerels die haar normaal naroepen. Hij heeft iets van een indiaan in een net pak. Ze laat alle gereserveerdheid varen.
            “My life is a mess.”
            “Let’s take a ride on the wheel of fortune.” Hij respecteert haar persoonlijke ruimte. Vanessa apprecieert dat.  
            Samen kijken ze vanuit de hoogte naar de miniatuurstad. Haar angst is weg. Hij vraagt haar of ze honger heeft. Haar maag rammelt. Hij neemt haar mee naar een Indisch restaurant, waar zij op dit uur de enige gasten zijn.
            “You have to eat it with your hands. Take some sauce with the naan”
Het kruidige voedsel doet haar goed, hongerig valt ze aan. De man eet nauwelijks, maar kijkt rustig toe. “Now, you’re finished, tell me what your problem is.”
“My boyfriend. He is so lazy. And I work, work. This morning I did not take my train to work. This is so not me. This whole day. Just living it. Not hurrying… but my mind is still thinking. I think I can better leave my boyfriend, but I am a coward. I am afraid to be alone.”
“Talk to your boyfriend, Vanessa, I tell you, you have to communicate.”
Na deze woorden staat hij op. Ze kan zich niet herinneren dat ze hem haar naam heeft verteld.
            “Go home and talk with him.” Hij geeft haar een hand en voordat het tot haar doordringt, staat ze alleen buiten.
            Het is al halfvijf. Verloren begint ze naar huis te wandelen.

Ze hoort ze het douchewater stromen. De muziek staat loeihard. Zijn sokken liggen in het midden van de kamer, als een grijze molshoop. Ze zucht, zet meteen de radio zachter. “Hé, moet dat?” roept hij vanuit de badkamer. In de keuken staat de afwas van een hele week. Met een handdoek rond zijn lichaam gewikkeld en een andere handdoek in zijn handen waarmee hij zijn haren droogwrijft, komt hij de living binnen. Zou er dan nooit iets veranderen?
“Heb je de hele dag in je nest gelegen?” Meteen heeft ze spijt van haar woorden. Zijn gezicht betrekt. “Wil jij nu echt heel mijn leven regelen?” Hij smijt zijn handdoek op de zetel. Die zal daar vast ook weer blijven liggen totdat zij hem opruimt.
            Hij vraagt niet naar haar dag. Uit koppigheid besluit ze hem er niets over te vertellen.
II

De zon schijnt op Daniëls gezicht. Hij knippert met zijn ogen en grijpt dan verschrikt naar zijn horloge. Halfelf! Shit. Waarom heeft Vanessa hem niet wakker gemaakt? Hij springt uit bed, grijpt naar zijn jeans die hij gisteren aanhad en trekt een proper wit T-shirt aan. In de badkamer laat hij wat water over zijn gezicht stromen. Even later zit hij al op zijn fiets, met zijn fototas schuin over zijn schouder. Het is ijzig koud en de zon verblindt hem, maar hij slaagt er toch nog in om in een kwartier naar de Kattendijkdok te fietsen door handig langs de auto’s te flitsen en een paar rode lichten én een agent te negeren.
            De repetitie is al begonnen. Hij moet zijn schoenen uittrekken anders mag hij de studio niet betreden. Snel maakt hij zijn camera klaar, plaatst de juist lens. Daniël verontschuldigt zich en er worden verder weinig woorden aan vuil gemaakt. Pas als hij de camera in de hand heeft en scherpstelt op de ballerina komt hij tot rust. Ze draagt een maillot en gaat net op dat moment in een cambré naar achteren. Hij ziet de spieren op haar rug. De schoonheid van haar lichaam ontroert hem. Snel laat hij zijn toestel klikken.
           
Twee uur later staat hij tevreden buiten. Wat een schitterende dag! En wat een honger heeft hij. Bij de bakker haalt hij een broodje dat hij gaat opeten in Markus’ koffiebar. “Hey, Markus, hoe gaat het ermee?” Ze schudden elkaar de hand. Hij neemt de krant door. Hij moet aan Vanessa denken. Aan de manier waarop ze loopt, aan haar soepele lichaam dat hij nu zo graag in zijn armen zou houden. Wat jammer dat ze hem vanmorgen geen afscheid heeft gekust. De laatste tijd lijkt ze ongelukkig te zijn. Nu ja, ze heeft altijd haar neerslachtige periodes gehad, maar die werden afgewisseld door periodes van euforie… Oei, hij voelt tranen in zijn ogen. Bruusk legt hij de krant weg en rekent af.

Als een razende fietst hij opnieuw de stad door, naar het station waar hij twee tickets voor de Eurostar naar Londen koopt. Bij het horen van de prijs, slikt hij even, terwijl hij knikt dat het goed is. Hij wil per se dit weekend gaan.

Thuis surft hij naar de website van The Royal Ballet. Er zijn nog tickets voor de duurste plaatsen of achter palen. De duurste dan maar. Met een klik gaat hij door naar ‘bestellen’. Deze tweede dure aankoop gaat hem al gemakkelijker af als hij aan Vanessa denkt. Opnieuw trekt hij zijn jas aan en gaat naar buiten. Hij kent iemand die een een antiekwinkel heeft in de oude stadswijk. Hij is nu niet meer te stoppen.

“Liliane, ik wil de ring die Vanessa zo mooi vond. Weet je nog welke ik bedoel? Je hebt hem toch nog.”
“Rustig, jongen.” Liliane lacht om zijn enthousiasme. “Nee, ik zou echt niet weten naar welke ring Vanessa elk weekend komt kijken.” Ze knipoogt. Uit de vitrinekast haalt ze een ring met een groene steen en een kleine diamant. Dan kijkt ze bezorgd. “Daniël, je wilm de ring toch niet kopen? Je weet toch hoe duur hij is?”
Hij koopt de ring met de kleinste diamant en de groene steen en hij weet dat hij nu schulden heeft, maar het kan hem niet schelen. Zijn hart bonkt wild, terwijl hij het doosje met het kleinood voorzichtig in zijn jaszak steekt.
Nu snel naar huis zodat hij hopelijk nog kan douchen voordat Vanessa thuiskomt.
III

Het lijkt wel alsof ze gisteren gedroomd heeft. De wekker gaat op het gebruikelijke uur af en Vanessa gaat werken, zoals ze vorige week heeft gedaan en de week en de maanden daarvoor. Ze maken weer ruzie over onbetaalde rekeningen.
Op haar werk zegt ze dat ze ziek was. Ze vragen wat ze had. Vaag mompelt ze iets over buikgriep.

Als ze ’s avonds thuis komt, staan er twee agenten voor haar deur. Er is iets mis. De agente vraagt of ze binnen mogen en of ze wil gaan zitten.
“Wat is er aan de hand?”
“Hij is door het rood gereden.” De stem van de agente komt van ver.
“Ja, natuurlijk, typisch iets voor Daniël,” zegt ze dof. Vanessa gaat voor het raam staan, met haar rug naar de agenten. Het lijkt te regenen buiten.
“Nee, de autobestuurder. Uw vriend reed regulier.”
Vanessa reageert niet. De agent herhaalt langzaam zijn laatste woorden. Wie belt zijn ouders? Moet zij dat doen? “Liever niet.” Alleen dat laatste zegt ze luidop.
De agenten wisselen een blik van verstandhouding met elkaar uit. “Mevrouw, zullen we iemand voor u opbellen?”
Vanessa trekt haar schouders op. “Wilt u zijn ouders verwittigen?” vraagt ze nauwelijks hoorbaar. De agenten vinden het vast vreemd dat ze niet huilt.

Daniël ligt in een mortuarium. Zijn gezicht is ongeschonden. Ze kijkt wat beter naar dat gezicht dat ze zo vaak met haar handen heeft gezien. Blindelings kan ze de vorm van zijn wenkbrauwen tekenen. Zijn baard, die naargelang zijn lengte, zacht was of prikte. Zijn mond die ze graag kuste als hij sliep. Hysterisch begint zijn moeder te snikken. Ze legt haar handen tegen haar oren. Ze vraagt aan de agenten of ze haar alsjeblieft naar huis willen brengen.

Hij heeft opgeruimd. Zijn trui hangt over een stoel. Zelfs de brievenbus heeft hij leeggemaakt. Op tafel ligt de ongeopende post. Het is stil, alsof Daniël op reportage is. Toen redde ze het omdat ze wist dat hij terugkwam. “Over een paar dagen.” Als een mantra herhaalde ze dat tegen zichzelf. ’s Nachts had ze het ijskoud.  De slaap wou niet komen en urenlang keek ze naar het schijnsel van de koplampen tegen het plafond. Ze zal het nu nooit meer warm krijgen. Nooit meer slapen in zijn armen. De stilte die er is als hij weg is, zal nooit meer weg gaan. Geen van beide zijn ze gelovig. Hij is niet in de hemel en zij kan niet tot hem bidden. Hij is nergens meer.
            De telefoon rinkelt. Het is haar moeder. “Alsjeblieft, mama, ik wil nu het liefst alleen zijn.”
Op zoek naar een teken, iets dat er van hem overblijft, wandelt ze naar zijn bureau. Op zijn stoel neemt ze plaats, draait er zelfs even speels mee rond, zoals hij altijd deed als ze binnenkwam. Dat herinnert ze zich nog. Ze moet alles opschrijven: wat hij deed, hoe hij lachte, waar hij het liefste was. Geëxciteerd haalt ze zijn bureau overhoop, op zoek naar papier. Het graaien stopt pas als ze een bundel foto’s vindt. Stuk voor stuk foto’s van haar. Oude foto’s.
Dansend op repetities, in tutu, op optredens, als ze bloemen in ontvangst neemt. Sereen. Stiekem getrokken foto’s van haar als ze zich omkleedt, in bad. Foto’s die hij haar vaak had laten zien. Veel verliefde foto’s – ze vond dat ze dwaas keek op die foto’s. Zo geconcentreerd is ze dat op haar lip tot bloedens toe bijt. Zo zorgvuldig en eerbiedig, zo liefdevol fotografeerde hij haar. Met dezelfde voorzichtigheid hield hij haar vast, kalmeerde haar als ze buiten zinnen was. Zijn werk was heilig voor hem en als hij foto’s bewerkte, vergeleek ze hem wel eens met een restaurateur van een kostbaar schilderij. Niet gestoord mocht hij dan worden. Hoe jaloers was ze geweest omdat hij zijn passie nog elke dag kon beleven. Waarschijnlijk had hij dat wel geweten. Hij leefde en er was niemand anders van wie ze zo veel had gehouden als hij. Haar adem stokt.
Verder zoekt ze in zijn lades. Ze vindt nog meer foto’s van zichzelf. Die kent ze niet.  Een zacht lachende ballerina, ze voelt de pijn weer als ze ernaar kijkt – foto na foto ziet ze hoe het dansen dag na dag meer een kwelling werd. Ze ziet hoe ze verandert in een triest, boos mens.
Zo ver mogelijk trekt ze de lade open, haalt alles overhoop. Achter in de hoek ligt een fluwelen doosje. Ze slaat haar hand voor haar mond. Met het doosje tegen haar borst geklemd zakt ze door haar knieën. Eindelijk komen de tranen.

***

Een diepe gelukkige liefde tussen twee mensen bestaat uit het liefdevol waken over elkaars eenzaamheid (Rilke)



dinsdag 18 december 2012

Een poging tot een (spiegel) gedicht als antwoord op 'Kier' van Leonard Nolens



Kier
Leonard Nolens

Laat dit niet alles zijn, dit leven stil en donker
Als het maandelijkse bloeden van de vrouwen.
Laat mij van iemand zijn, maar ook niet zo volstrekt
Dat ik verdwijn, in haar, in hem, of weg moet gaan
Omdat geen mens mijn menselijk gewicht kan tillen.
Uit schrik voor mijn gezicht schrijf ik dit op.
Altijd ben ik onderweg. Ik vind geen rust
Bij mij, ben bang als jij mijn trage stap hoort branden
Op de koude tegels in de gang naar jou.
De deur gaat open. En zoenend en stom onderzoeken je lippen
De sombere man die jou zwijgend staat aan te blaffen
Met liefdesgedichten. Geef hem je bed. Laat alle deuren
Op een kier.


Een gedicht

Liefje, dit is alles, dit leven kort en vluchtig 
Als het plotse klaarkomen van de mannen.
Je bent niet van mij en ik ben niet van jou, ook geen klein beetje
Dat weet ik wel, dan ga jij dood en ik met jou.
Voor jouw lijden bestaat geen weerwoord, ook geen tegenwicht
Voor jouw angst, al schrijft die lijnen in je gezicht.
Altijd ga je weer weg. Ik weet wel
Bij jou, ben je bang op een lange dag te ontwaken 
In een hoofd zonder zin, zonder gedicht. 
Maar het is nog nacht. En slapend zoeken mijn lippen jou  
En sombere gedachten raken verward in lakens
En verlangens. Hier is mijn bed. Dan vormen wij zwijgend 
een gedicht.

zondag 11 november 2012

Een aangekondigde dood


De haan zal weldra sterven, maar dat weet hij niet. Het is een zijdehaan met felblauwe ogen en parelgrijze veren die aan zijn poten overgaan in een zijdeachtige dons. Het plukken van zijn veren zal een niet te onderschatten werk worden.
De dag is schitterend begonnen: met een open hemel, fris. Zoals elke morgen zet de haan zijn borst – die verticaal moet worden opengesneden – breed en kraait. Hij paradeert als een musketier door het gras dat nog nat is – hij krijgt er even kippenvel van. Zijn hanennek die, zoals een echte dandy, in een sjaal van donsveertjes gehuld lijkt, strekt hij sierlijk en liefdevol kijkt hij naar zijn harem kippen. Zijn laatste maaltijd staat al klaar en met smaak begint hij de premium graankorrels (voor premium vlees) op te eten. Nadat ik later op de dag zijn nog warme ingewanden verwijderd zal hebben (voor de kat), zal ik zijn vlees met cognac flamberen in de pan. Het zal langzaam garen, totdat het – zoals het recept voorschrijft – helemaal uiteengevallen is.

Als hij alle graankorrels opgegeten heeft, valt mijn schaduw over hem heen. Ik zet de houtblok die ik onder mijn arm houd, neer. Hij kijkt me met zijn zachte ogen aan en komt nog een beetje dichter staan. De grijze veertjes in zijn nek glanzen in de herfstzon. Uit het bos stijgt de geur op van champignons, rijpe ui en verse kruiden. Ik heb zo veel zin om hem bij zijn keel te grijpen. Het wordt rood voor mijn ogen.
Even zie ik de wijngaarden voor me waar de druiven van de beaujolais in de zon zijn gegroeid, geoogst, geplet, en gerijpt in eiken vaten tot de wijn voor mijn saus. In de verte ligt het dorp met het restaurant, waar ik mijn eerste coq au vin heb gegeten en bij die gedachte loopt het water me in de mond. 

Voor mij staat nog steeds mijn eigenhandig groot gekweekte grijze zijdehaan.  Ik kan me niet meer beheersen: ik grijp hem bij zijn vleugels. Hij kijkt me een fractie van een seconde en een eeuwigheid angstig en niet-begrijpend aan. Dan strekt hij zijn nek vanzelf uit op de houtblok. Met een beweging snijd ik hem de nek over. Voor mij ligt zijn kop. Zieltogend. Een weeë geur vult de lucht; mijn maag draait om. Een haarlok hangt onhandig voor mijn ogen; ik probeer hem met mijn pols achter mijn oor te steken, mijn handen zitten onder het bloed. Ik richt mijn blik op en zie hem nog net verderop door zijn knieën gaan. Nog een stuiptrek. Dan niets meer. Mijn coq au vin.



donderdag 23 augustus 2012

Kleine meisjes worden groot

Vijfentwintig jaar later is het tijd voor een tweede familievakantie. Ook deze keer is mijn lieve oma de organisator van het hele gebeuren. 

Vijfentwintig jaar later is één huisje huren niet meer voldoende; de familie is ondertussen uitgebreid met: twee neefjes (ondertussen: neven) en een duo liefjes.

Ik heb - ondanks het feit dat ik toen vijf was - nog levendige (en soms vreemde) herinneringen aan mijn vorige familievakantie. De roze flamingo's, een subtropisch zwembad, onze vlotten en vermommingen met rietgras, de 'fortune cookies' van Peking Mysterie, aan Nutella (nog altijd een hevige fan), de film 'the secret of my succes' (ook nog altijd een hevige fan)... maar wat ik me vooral herinnering is de warmte van mijn familie.

De kleinkinderen zijn ondertussen groot. Ik schrik toch even wanneer ik hoor dat mijn neefjes (die toen nog niet geboren waren) nu 17 en 15 zijn (de jongste verlangt hevig naar de leeftijd waarop hij met recht en reden zijn pintje mag drinken). Het zijn geen kinderen meer (met Kerstmis leken ze dat nog wel?!).

Ook wij zijn geen kinderen meer - die vijfentwintig jaar zijn omgevlogen. En ook dat is wel even schrikken. Mijn broer pakt me onverwacht stevig vast. Vervolgens uit hij zijn lof over mijn lief en zijn blijdschap over mijn geluk. Ik kan niet ontkennen dat ik niet ontroerd ben door zijn ontboezeming, vooral na de spanningen van de voorbije maanden (die overigens niet tussen mijn broer en mezelf speelden); mijn familie om me heen, mijn lief... Ik word overvallen door het besef dat ik écht wel gelukkig ben (ondanks het feit dat ik niet weet wat ik echt wil doen in dit leven, me vaak te dik voel en weer eens zo goed als al mijn spaargeld aan de belastingen moet afstaan).

We eten pizza in de regen, drinken sangria met bier. Ik ga na vijfentwintig jaar nog eens van de glijbaan in het zwembad af, mijn nonkel steekt de al eeuwig bewaarde fakkels aan. We lachen totdat het donker is, ook de laatste fles leeg is en onze gesprekken steeds filosofischer worden. Mijn nonkel heeft al een hele weg afgelegd sinds hij vijfentwintig jaar geleden als student in dat vakantiepark met zijn kleine nichtje was. Ik voel me nog ver van die wijsheid af en luister nieuwsgierig naar zijn verhalen die enkel in vakantieparken in het maanlicht kunnen worden gevoerd.

Dan vraagt mijn broer of ik in de kerk wil voorlezen. Ik ben vereerd.

Mijn leven is al deels geschreven... Op naar de volgende vijfentwintig jaar. Ik hoop dat ik tegen die tijd ook wat wijsheid heb verzameld die ik dan aan mijn grote neefje of nichtje kan verkondigen. 
Maar eerst nog op naar de eerste vijf jaar waarin ik vlotten met hen bouw en met hen van de glijbaan glijd.

maandag 20 augustus 2012

Weltschmerz

Ongeveer twintig jaar geleden, was ik een klein meisje dat onder de schaduw van een lange oprijlaan platanen droomde van een later als ik groot ben in wit zonlicht badend huwelijksfeest op het einde van de weg in de tuinen van het kasteel. Ik had le Grand Meaulnes nog niet gelezen en had de weg naar het kasteel toen nog niet kunnen vergelijken met die uit het boek, maar zoals ik de zon door de bladeren zag schijnen, zo zou de Grand Meaulnes de zon ook hebben zien schijnen.

Het feest in mijn hoofd was zoals ook bij hem een uiting van mijn al vroeg aanwezig Weltschmerz. Een gevoel waar ik dubbel tegenover sta, want het is net die onderhuidse pijn, dat droef gemis en verlangen dat me aan het schrijven zet.

Ik durf niet zeggen dat twintig jaar meer levenservaring me veel wijzer heeft gemaakt. Ik mis mijn onbevangenheid en beetje en de ongeschreven toekomst van alles is nog mogelijk ook.

De voorbije jaren heb ik veel tegen mezelf gezegd dat ik realistischer moest worden, sprookjes zijn niet wat ik als kind dacht dat ze waren (en dat dit niet erg is, leg ik hieronder nog uit).

Nu durf ik ook grif bekennen dat ik als klein meisje ervan droomde om schrijfster te worden... Het geworstel met pen en papier en de teleurstelling omdat het nooit goed genoeg werd of omdat ik mijn hoofdpersonage eigenlijk helemaal niet meer kon uitstaan, heeft me op 23-jarige leeftijd echter gebracht tot het opbergen van pen en papier. De academische machine leek tijdelijk een alternatief, maar stiekem bleef ik ervan dromen om 'De roman' te schrijven. Schrijven heeft deels met talent te maken (en ik vraag me voortdurend af of ik dat wel heb en zeg vaak genoeg tegen mezelf dat ik 'net' niet goed genoeg ben), maar ook met trainen, volhouden, doorzettingsvermogen. Het is een leerproces. En zo is het met alles.

Ook in sprookjes wordt het hoofdpersonage niet alles gegeven. Integendeel: in sprookjes gebeuren vaak heel erge dingen. Ik denk ook niet dat ik zou willen dat mijn leven een sprookje zou zijn (in de betekenis die ik er als kind aan gaf, je weet wel, het in zonlicht badend huwelijksfeest in het kasteel), maar ik hoop wel dat ik de uitdagingen in mijn leven het hoofd kan blijven bieden om te groeien. Dat wil ik immers wel: bijleren en durven zijn. Om het in existentiële termen te zeggen - en onder voorbehoud dat het om mijn interpretatie gaat, want ik durf niet beweren dat ik Sartre begrijp, maar zoals ik hem wil begrijpen: 'l'enfer, c'est les autres'. Het kost me heel veel moeite om mezelf te zijn en er is niet veel nodig om mezelf weer te verliezen. Mijn grootste uitdaging is met andere woorden: mezelf zijn.'Niet beïnvloed' worden, is daarbij geen optie. Wat wel een optie is, is, om het weer Sarteriaans te zeggen: vrij zijn om te kiezen door wie of wat je je wil laten beïnvloeden. Daarbij speelt echter zo veel mee, dat ik nog lang zal bezig zijn met het ontwarren van die knoop. Bovendien - en nu haal ik er oosterse overtuigingen bij - verloopt mijn leven op een soort van karma-achtige cyclische wijze waarbij ooit gedachte overwonnen pijnpunten, onverwacht en des te sterker de kop weer opsteken.

En eigenlijk, eigenlijk heb ik geen enkele reden om ongelukkig te zijn... of zou het mijn menselijke conditie zijn om te kunnen schrijven?

zaterdag 9 juni 2012

Gabriëlle: het volledige verhaal



I.

De Canadese eikenbomen waren nu op hun mooist. Vlak voor hun dood. Hij draaide zich weg van het venster en keek lusteloos zijn studio rond. Hij moest zijn stempelkaart binnenbrengen, maar hij had geen zin.
Een schrijver kan niet schizofreen zijn. Een echte goede schrijver moet de strijd aangaan met de leegheid en de onbewuste opvattingen, maar angstvallig vermeden opvattingen over het leven, nl. dat alles banaal, lelijk en oppervlakkig is.  Zoals elke schrijver die niet kan schrijven, zocht hij echter excuses. Vandaag zou hij echter de doos leegmaken die daar al weken als een steeds groter obstakel stond.
Het eerste wat hij tegenkwam, was de Divina Commedia. Het boek dat hij nooit had gelezen. Toen vond hij haar lievelingstrui, van Ann Demeulemeester. Het was alsof Gabriëlle zelf was teruggekeerd. Hij hield de trui tegen zijn gezicht. Opium.

Die avond in hotel Bauer had ze de trui gedragen. Ze hadden op het terras gezeten. Met een spritz. Dat was haar lievelingsdrank en daarom dronk hij hem ook. Hij was erg onder de indruk geweest van hoe ze kordaat de obers bij zich riep. De afgunstige blikken van de mannen aan de andere tafel waren hem evenmin ontgaan. Ze waren in Venetië  voor de Arsenale. Haar schilderijen verkochten beter dan ooit. Hij had nog nooit een roman afgemaakt. Hij leefde van een uitkering en van haar. Dat knaagde toen al.
Ze hadden veel gedronken die avond. Te veel. Ze was steeds spraakzamer geworden, was een gesprek begonnen met het koppel aan de tafel ernaast.  Hij was steeds zwijgzamer geworden. Ze had nog willen uitgaan. Hij had willen slapen. Zoals altijd was hij haar gevolgd. Ze was maar blijven drinken. Ze was in een gepassioneerd gesprek verwikkeld geraakt met een Italiaan van wie het hemd openstond. Te ver naar zijn zin. Hij had hen niet verstaan, maar hij had het gevoel gehad dat ze met hem lachten. Ze had opgemerkt dat hij ongelukkig was. Daarom waren ze terug naar het hotel gekeerd, hoewel zij zin had gehad om nog te blijven. Ze hadden naast elkaar gelopen. De lucht was zwaar geweest.
‘Wat heb ik je misdaan?’ doorbrak Gabriëlle tenslotte de stilte. Ze lalde een beetje en dat had hem met afkeer vervuld.
‘Niets,’ had hij gemokt.
‘Spreek dan toch man. Ik ben je eeuwig gezwijg zo beu!’
‘Die man stond met jou te flirten waar ik bij stond.’
‘Bram, doe niet zo onnozel. Zo zijn Italianen.’
‘Jullie waren met mij aan het lachen.’
‘Wat haal je toch in je hoofd. Waarom zou ik met je lachen?’
Hij had zijn neus opgehaald.
‘Begin nu niet te janken.’ Gabriëlle had gewankeld op haar hakken. God, wat was ze mooi.
‘Sorry, het spijt me.’
Gabriëlle had haar open schoentjes uitgetrokken; ze was nu op haar blote voeten voor hem uit beginnen lopen. In een kronkelende lijn, maar verbazend snel.
Hij had haar de rest van de terugweg alleen laten lopen. In de hotelkamer in het donker hadden hun lichamen elkaar echter weer gevonden.
‘Het spijt me,’ had hij nog eens huilend in haar oor gefluisterd.
Door haar had hij even nieuwe moed gevat. Hij zou die bestseller schrijven. In plaats van meer te schrijven, was hij echter minder gaan schrijven. Hij wou alleen maar bij haar zijn. Altijd. Overal. Zij was steeds meer gaan drinken. Altijd. Overal.

Hij stopte de trui terug in de doos en stond op. Er liep een traan over zijn wang. Buiten was het beginnen regenen. De wind waaide onder de paraplu’s van de voorbijgangers. Hij nam zijn regenjas en hoed van de haak aan de voordeur.
Met zijn ene hand hield hij zijn hoed vast, zijn andere stak hij in zijn jaszak. De wind rukte meteen aan zijn hoed; duwde hem opzij, waardoor hij tegen een vrouw aanbotste die van de tegenoverstelde richting kwam. Hij wankelde op zijn benen; pakte in een reflex haar beide armen vast om te voorkomen dat ze zou vallen; ze had lange rode haren, zag hij en ze droeg eveneens een hoed; haar lippen waren rood gestift, haar mond maakte een verbaasde ‘o’, maar er kwam geen geluid uit; hij rook haar parfum en sloot zijn ogen. Gabriëlle. Ze keek hem een oneindige seconde lang aan en maakte zich toen los uit zijn greep en liep verder. Hij keek haar na. Een lange vrouw in een kaki regenjas en bordeaux laarzen. Gebiologeerd begon hij haar te volgen. Hij volgde haar over de Sint-Jacobsmarkt en Kipdorp naar de Sint-Katelijnevest. Ter hoogte van het Hendrik Conscienceplein werd hij opgehouden door een groep Japanners met paraplu’s. Hij probeerde zich zo snel mogelijk een weg te banen door de samenklittende groep. Hij zag haar niet meer. In paniek keek hij om zich heen, ging toen linksaf de Melkmarkt in, dan weer naar rechts. Verslagen bleef hij staan. Hij was haar kwijt. Voor hem doemde de Witzli Poetzli op als in een magisch realistische roman.
Hij kwam hier vaak. De voorbije weken meer dan toen Gabriëlle er nog was geweest. Het kon hem niet schelen dat ze hem er meewarig bekeken.
Geen buldergelach, geen geroezemoes, geen  waas van rook, geen groepje kunstenaars dat zich rond haar had verzameld.  Mia stond er nog net als vroeger achter de toog glazen te spoelen.
‘Een pils, alsjeblieft.’ Normaal ging hij aan de wankele tafel in de verste uithoek zitten, maar vandaag niet. Hij nam plaats op een kruk aan de toog.
Zonder een woord te zeggen, zette zijn pils. Ze had donkere kringen onder haar ogen en ze was heel erg mager geworden, zag hij nu. Hij had haar nog nooit aangesproken, behalve om iets te bestellen. Hij wist dat ze danseres was en Mia heette; Gabriëlle had dat hem eens verteld. Hij probeerde niet aan Gabriëlle te denken.

Gabriëlle had zelden gehuild. Ook niet toen ze met Robrecht brak. Alleen de driftig cirkelende bewegingen van het glas rode wijn  hadden die avond verraden hoe overstuur ze was geweest. Ze had haar glas neergezet, haar stoel achteruitgeschoven en zonder een woord te zeggen, was ze, met haar clutch aan haar schouder, het kasteel uitgelopen. Achter haar had een kelner haast geluidloos haar stoel aangeschoven en haar servet over de armleuning gelegd.
Robrecht zei iets tegen de kelner. Bram kon het niet verstaan. Hij had het koppel al die tijd gefascineerd gadegeslagen. Een man van middelbare leeftijd met zijn minnares. De academische discussie aan zijn tafel interesseerde hem maar matig. De ruzie tussen het koppel was hem echter niet ontgaan. Toen de vrouw opstond, was hij haar gevolgd.
Buiten had hij haar met trillende vingers een sigaret zien opsteken. Maar de wind had het vuur steeds weer gedoofd. Het had voor het eerst gesneeuwd en aan de lucht te zien, zou er nog meer sneeuw vallen. Ze was weer naar binnengegaan; was weer naar buitengekomen. Haar groene jas met bontkraag werd gebracht en zo’n plat jaren twintig hoedje. Ze had de jas aangetrokken, maar had hem niet dichtgeknoopt. Het hoedje op haar hoofd had haar iets kwetsbaars gegeven. Enkele bekken van haar opgestoken rode haren kwamen eronder uit.
Bram had een sigaret in zijn mond gestoken. Met zijn ene hand had hij de aansteker vast, met de andere had hij de vlam tegen de wind beschermd. De rook was vanuit het diepste van zijn longen gekomen. Alsof hij in brand stond, dacht hij wel eens in een vlaag van rebellie tegen dit bestaan. Hij was naast haar komen staan.
‘Ik heb het gevoel dat ik me in het oog van de storm bevind,’ was zijn openingszin geweest, ‘zoals in dat schilderij van Turner met dat schip in een sneeuwstorm op zee. Kent u dat?’
‘Ik hou niet van Turner. Ik hou niet van romantiek.’
Hij bood haar het pakje Tigra aan. ‘Misschien hebt u een tekort aan nicotine.’
Voor het eerst had Gabriëlle hem aangekeken. Niet onvriendelijk.
‘Sorry. Een sigaret heb ik zelf, maar het zou fijn zijn als je me zou helpen met vuur. Door de wind krijg ik ae niet aan.’
Hij had zijn peuk weggegooid en had haar Davidoff behendig aangestoken.
Op dat moment was Robrecht voor hen opgedoemd op als een magere Hein.
‘Gabriëlle,’ was alles wat de man rustig had gezegd. Hij had haast ridderlijk geklonken.
‘Ik kom niet meer naar binnen, als je dat komt vragen.’
Na die woorden was ze met Bram mee naar Antwerpen gereden, naar de Witzli Poetzli.

Hij zag haar weer naast hem zitten.
Alle gesprekstof was van hem gekomen, bang dat ze aan haar ridder zou denken of zou vertrekken. Gabriëlle had er afwezig bijgezeten. Totdat hij over Edward Hopper en Jackson Pollock was begonnen. Eensklaps had hij haar volle aandacht gehad. Vurig verklaarde ze haar liefde voor Hopper, waarna ze haar glas wijn in een teug had leeggedronken. Toen de zon opkwam, had ze plots haar hoofd tegen zijn schouder gelegd en was in slaap gevallen.
Zo waren Bram en Gabriëlle toevallig geliefden geworden.


II.

Eigenlijk had hij Turner helemaal niet willen aanhalen. Hij hield veel meer van Vincent van Gogh. Het schilderij dat hij eerst voor zich had gezien, was la nuit étoilée sur la Rhône geweest. Maar – was er in die paar seconden door hem heen gegaan – er was geen direct verband met het sneeuwlandschap waarin ze zich bevonden, dus was hij over de storm van Turner begonnen.
Het was toen al begonnen, het verlies van zichzelf, al bij zijn eerste woorden tegen haar. Het begin van het einde.
Hij kon zich niet meer voorstellen ooit graag geschreven te hebben. In zijn hoofd vormden zich geen woorden. In zijn hoofd was er alleen maar angst en zelfhaat. Er was zelfs geen verlangen meer naar Gabriëlle. Dat was er eigenlijk al langer niet meer. Het werd tijd dat hij toegaf dat hij zich al lang krampachtig vasthield aan wat niet meer was dan de asresten van het vuur tijdens hun koude winter samen. Het vuur dat hem niet losliet wanneer hij inspiratie had.

In Wissant, waar ze de voorbije lente, die iets van het einde had gehad – ook dat was een voorteken geweest – de kamer niet hadden verlaten; waar enkel de lichte beweging van de zeewind door de gordijnen wat verkoeling moest brengen aan hun bezwete lichamen die tussen een origami van lakens hadden gelegen; bezeten van elkaar; op dezelfde plaats had hij op een sombere augustusdag haar als een nar proberen te doen klaarkomen, terwijl hij zich aftrok. In een zielige poging de opwinding terug te vinden die er ooit was geweest. Totdat ze zich op haar zij draaide. Haar rug met de getatoeëerde slang naar hem gekeerd.
Die dag had ze hem gezegd dat ze naar New York wou. Zonder hem.

Zoals zo vaak ging hij via een omweg naar huis. Langs het herenhuis, waar Gabriëlle de parterre had bewoond. Tot zijn verbazing stond de voordeur open. Er leek zelfs een feestje aan de gang te zijn. Hij ging naar binnen, de trap af. Daar stond hij weer in haar ruimte. Hij zag door de terrasramen de vertrouwde stadstuin; aan de andere kant de getraliede ramen waardoor hij ’s morgens bij het ontbijt naar de voorbijlopende voeten had gekeken. De ruimte waarin hij haar had zien schilderen, waarin zij samen hadden gerookt, gedronken en gevreeën, werd nu bevolkt door mensen. In de keuken was een traiteurploeg aan het werk. Twee kelners liepen rond met plateaus met champagne, wijn, fruitsap en spritz. Dat laatste had hij eerst niet gezien. Verbouwereerd nam hij het eerste het beste glas en liep langs de witte muren waaraan haar schilderijen hingen; schilderijen die hij niet kende; schetsen zoals voor animatiefilms van een ballerina, telkens opnieuw. Gabriëlle was terug. Opeens was hij ongelooflijk bang om haar te zien. Hij draaide zich om. Daar stond Robrecht. Bram kon nog net zijn glas neerzetten en vluchtte naar buiten.

Zij had altijd op haar individualiteit gestaan; alleen schetsen, alleen naar de Witzli Poetzli, alleen langs de Schelde.
Het was Witte Donderdag geweest. Zij had in de Witzli Poetzli gezeten; haar hoofd steunend op haar ene hand. Ze had vermoeid naar hem opgekeken. Hij was naast haar gaan zitten. Er waren zo veel vragen door hem heen gegaan, maar er was er geen enkele geweest waar hij het antwoord op had willen weten. Toen had ze naar hem gelachen.
Als hij bij haar bleef, zou hij niets worden. Hij zou nooit een boek uitgeven; hij zou zich altijd te min voelen; hij zou geen ambitie meer hebben. Het enige wat hij wou, was haar bezitten. Haar gedachten kennen, een gezin met haar stichten. Als hij daarin zou slagen, dan zou zij eraan kapot gaan. Ze zou niet meer schilderen, ze zou klein worden en ongelukkig. Bovendien hield ze niet van hem zoals hij van haar hield. Er zou altijd Robrecht zijn, over wie ze nooit wou praten.
‘Misschien kunnen we er beter een einde aan maken?’
Verbaasd hief ze haar hoofd op. ‘Hoezo?’
‘Ik heb het gevoel dat jij niet zo veel van mij houdt als ik van jou.’
‘Wat heb jij ineens?’

’s Nachts had hij de slaap niet kunnen vatten.
Morgen zou hij vertrekken; zij zou denken dat hij gewoon ging werken, maar hij zou niet meer terugkomen. Hij zou haar niet bellen; uiteindelijk zou zij naar hem bellen. Dan zou hij haar zeggen dat hij haar verliet. Alleen dat.
Op Goede Vrijdag had hij een sms naar haar gestuurd: dat hij die avond niet zou komen. ‘Ok’, had ze geantwoord. Op vrijdagavond had hij weer voor haar deur gestaan. Ze had hem mild binnengelaten.
Op de Stille Zaterdagmorgen had ze hem gezegd dat ze alleen wou zijn. Hij had gevraagd of ze ’s avonds samen zouden eten. Zonder er veel woorden aan vuil te maken, had ze ermee ingestemd. Haar gebrek aan enthousiasme had alle enthousiasme bij hem de kop ingedrukt.
Tot zijn verbazing had ze hem die avond gebeld en gevraagd waar hij bleef.
Na die avond had hij nooit meer een poging ondernomen om haar te verlaten.

Hij benijdde haar omdat ze ook daarin zijn meerdere was; in de manier waarop ze ergens een punt achter zette.


III

 Zoals altijd waait het op het perron dat zich helemaal in de buik van het station bevindt. Hij is hier niet graag. De trein met bestemming Brussel - Zuid van 08 u 03 rijdt het station binnen. Mensen staan zoals gewoonlijk te dringen voor de deuren van de wagons. Zoals steeds laat Bram hen maar begaan en stapt hij als laatste op. Hij vindt nog een plaats, met zijn knieën tegen de koffer gedrukt van de zwarte dame schuin tegenover hem. Zoals steeds slaapt hij nog een beetje. Dan ziet hij aan de overkant, op het perron waar de trein met bestemming Amsterdam zo meteen aan zal komen, een vrouw staan. Na al die jaren trekt zijn hart nog even samen. Ze heeft haar profiel. Ze draagt wat zij zou dragen, maar ze is het niet. Met de jaren is de hoop haar nog ooit terug te zien steeds kleiner geworden. De obsessie ook. Hij raakt minder overstuur wanneer hij een vrouw ziet die zij zou kunnen zijn. Maar het verlangen haar terug te zien, is nooit helemaal overgegaan.

De trein rijdt het station uit en hij kijkt de vrouw na die in de verste verte misschien een slechte kopie van haar zou kunnen zijn. Hij zucht. Zoals steeds zit de trein vol met mensen die op weg zijn naar Zaventem. Veel vreemdelingen, Nederlanders, daarnaast ook een heleboel kantoorgangers, zoals hij.
De vrouw met de koffie komt voorbij. Zij heeft meestal weinig succes. Vandaag houdt ze echter achter hem staande.
‘Een koffie alstublieft.’
Bram spitst zijn oren.
‘Nee, geen suiker of melk, gewoon zwart. Dank u.’
‘Mama, mag ik ook koffie?’
‘Nee, liefje, dat lust jij niet.’
Bram staat zo snel op, dat hij zijn knie aan de koffer stoot. Daar zit ze, echt. Met een kind, een blond jongetje.
‘Mia,’ roept hij uit. Hij is oprecht blij om haar terug te zien.
Mia kijkt verrast op. Ze is nog even blond; misschien iets minder mager. Ze ziet er goed uit. Ze draagt een keurig zwart mantelpakje. Haar lippen zijn rood gestift.
Ze lacht hem verlegen toe. Ja, ze is waarschijnlijk niet zo blij om hem terug te zien. De man die bijna een jaar lang haar café stalkte; de zielenpoot. Die is hij echter niet meer; dat moet ze weten.
‘Dag meneer Van Genechten.’
‘Kom nou, Mia, zo moet je me toch niet noemen; je weet toch even goed als ikzelf dat ik Bram ben!’
Ze lacht opnieuw wat verlegen. Het jongetje kijkt hem met grote ogen aan.
‘Je hebt een zoon!’ (Een Hollander bovendien.) Hij vindt het zelf een domme opmerking. Hij vraagt zich af hoe snel hij over Gabriëlle kan beginnen zonder voor een freak door te gaan.
‘Ja, hij is al vier. Hebt u kinderen?’
‘Ja, een zoon en een dochter.’
 ‘Wat fijn voor u!’
Hij kijkt toch een beetje trots.
‘Danst u nog?’
‘Oh God, nee,’ ze lacht opnieuw. Wat een verschil met toen: zo triest als ze altijd keek. Maar ze vult de zin niet verder aan.
‘Ik ben nu redacteur,’ begint hij behulpzaam.
‘De volgende halte is Mechelen. Prochain arrêt Malines. Next stop Mechelen. Nächtste Haltestelle Mecheln.’
‘Daar moet ik afstappen. Naar waar moet u?’ Er rest hem weinig tijd.
‘Ik moet naar Brussel,’ zegt ze.
‘Mia, ik weet dat de kans klein is dat ik u nog ooit terugzie. Ik zou u iets willen vragen. Iets wat ik al jaren wil vragen, maar nooit heb gedurfd toen ik je nog zag. Ik heb mezelf erom vervloekt toen je op een dag niet meer in de Witzli Poetzli werkte. Kan jij me iets over Gabriëlle vertellen?’ Ze trekt een wenkbrauw op. Haar zoontje trekt aan haar arm.
‘Tja,’ ze wriemelt aan haar duim. ‘Wat wil je dat ik je vertel?’
‘Waarom heeft ze me verlaten? Heb jij haar nog gezien in die periode dat ik elke dag naar de Witzli Poetzli kwam?’
Ze aarzelt.
‘Alsjeblieft, Mia.’
‘Nu ja, het is al zo lang geleden.’
‘Zo lang nu ook weer niet.’
‘Gabriëlle wou me per se schilderen. Ze was gefascineerd door mijn lichaam. Ik begrijp jou wel. Ook ik was een tijdje door haar in de ban. Ik was het noorden kwijt. Ze had iets. Dan was ze opeens weg en ik was even verloren als jij.’ Ze kijkt opeens weer verloren.
‘Het is beter zo hoor, Bram, Gabriëlle is geen vrouw voor ons.’
Bram lijkt wat gekrenkt.
‘Het is waar. Gabriëlle maakt veel kapot in mensen.’
De trein begint te vertragen.
‘Heb je geen tijd om mee af te stappen in Mechelen?’
‘Nee, sorry Bram, ik moet naar een begrafenis. Ik wil niet te laat komen.’
‘Kan ik je nog eens terugzien?’
Ze haalde haar schouders op. ‘Ik weet het niet; ik woon nu in Amsterdam.’
Brams weet niet welke duivel hem opeens bezielt, maar hij richt zich opeens tot het jongetje. ‘Dag jongen, wie is er gestorven?’
Mia trekt grote ogen. ‘Bram, laat dat, hij heeft er niets mee te maken…. Als je het echt wilt weten: Robrecht is gestorven… Ben je nu tevreden?’
De trein stopt. Bram draait zich zonder nog een woord te zeggen om en loopt de wagon uit. Mia roept nog iets; hij wil het niet horen; stapt als verdoofd de trein uit, zijn aktetas onder zijn arm. Er zullen altijd mensen zoals hij zijn, open boeken, en mensen zoals Gabriëlle, bij wie niets is wat het lijkt.
Hij loopt haar raam voorbij. Ze klopt als een waanzinnige op de ruit totdat hij opkijkt. Een papier tegen de ruit:
‘HIJ WAS HAAR VADER’.





vrijdag 30 december 2011

Gabriëlle (2)

Hij stopte de trui terug in de vuilniszak en stond op. Er liep een traan over zijn wang. Buiten was het beginnen regenen. De wind waaide onder de paraplu’s van de voorbijgangers. Hij nam zijn regenjas en hoed van de haak aan de voordeur. Hij trok zijn jas aan, zette zijn kraag rechtop en zijn hoed ietwat schuin over zijn voorhoofd.
Met zijn ene hand hield hij zijn hoed vast, zijn andere stak hij in zijn jaszak. De wind rukte meteen aan zijn hoed; duwde hem opzij, waardoor hij tegen een vrouw aanbotste die van de tegenoverstelde richting kwam. Hij wankelde op zijn benen; pakte in een reflex haar beide armen vast om te voorkomen dat ze zou vallen; ze had lange rode haren, zag hij en ze droeg eveneens een hoed; haar lippen waren rood gestift, haar mond maakte een verbaasde ‘o’, maar er kwam geen geluid uit; hij rook haar parfum en sloot zijn ogen. Gabriëlle. Ze keek hem een oneindige seconde lang aan en maakte zich toen los uit zijn greep en liep verder. Hij keek haar na. Een lange vrouw in een kakikleurige regenjas en bordeauxkleurige laarzen. Gebiologeerd begon hij haar te volgen. Hij volgde haar door de Lange Klarenstraat, over de Meir, voorbij de Boerentoren. Aan de Hilton ging ze naar rechts en dan weer naar links langs de kathedraal, waar ze in een café verdween. Hij bleef verbaasd voor het café staan. Dit kon geen toeval zijn. De regen stroomde langs zijn hoed, in zijn kraag, over zijn schouders. De stof van zijn jas raakte helemaal doorweekt.

Zo had hij hier nog eens gestaan. Ze kenden elkaar nog niet zo lang. Ze had bezoek uit Parijs. Dat had ze hem die morgen verteld terwijl ze haar lingerie uitzocht. Hij had haar in de spiegel gadegeslagen.
‘Een vriend met wie ik tijdens mijn stage veel heb opgetrokken. Ik zou je meevragen, maar je moet werken.’
Hij voelde een steek in zijn borst. Hij wou vooral niet jaloers lijken. Hij zat op de rand van haar bed. Ze kwam naar hem toe en kuste hem op zijn voorhoofd.
Hij hield zijn gsm de hele dag dicht bij hem, hopend op een bericht van haar. Hij stelde zich voor hoe ze lachend met die vriend door de stad wandelde. Op het einde van zijn werkdag nam hij een moedig besluit. Hij stuurde haar een sms om te zeggen dat hij met vrienden had afgesproken en vannacht thuis zou slapen.
 ‘Ok’, was alles wat ze terugsms’te. Geen ‘x’, geen kusje.
Maar hij had geen zin om met vrienden af te spreken. Hij dwaalde door de Antwerpse straten, vermeed daarbij angstvallig de buurt rond de kathedraal; liep tenslotte via de Nationalestraat naar de Vrijdagmarkt. Daar was een café waar hij iets kon eten. Het werd uitgebaat door een Griekse. Hij flirtte een beetje met haar, hoewel hij zich rot voelde. Hij zocht tussen de stapel tijdschriften naar een krant, maar vond alleen modemagazines. Hij at zijn moussaka zo traag mogelijk. De klok gaf kwart voor zeven aan. Toen hij om tien uur nog niets van haar had gehoord, kon zijn imago van nonchalante vriend hem gestolen worden. Hij wandelde naar de kathedraal, naar haar café. Daar stond hij een tijdje verloren buiten te wachten. Ze was er niet. Het was toen ook beginnen regenen, maar toen hij voor haar appartement stond, was het nog opgeklaard.

Vandaag bleef de regen echter stromen. Haar café was fel verlicht. De vrouw die zo erg op Gabriëlle leek, was alleen aan de toog gaan zitten. Hij opende de deur van het café en ging naar binnen.

vrijdag 4 november 2011

Gabriëlle


De Canadese eikenbomen waren nu op hun mooist. Vlak voor hun dood. Hij draaide zich weg van het venster en keek lusteloos zijn studio rond. Het was begin november, hij moest zijn stempelkaart binnenbrengen. Hij moest elke dag wel iets. Iets waardoor hij niet kon schrijven. En als hij dan eindelijk kon schrijven, dan kwam er niets. Vandaag zou hij schrijven.
Hij baande zich een weg tussen de dozen die er al wekenlang stonden. Gevuld met haar boeken, haar platen, een vuilniszak met haar kleding. Hoe oneerbiedig. Hij knielde naast de vuilniszak en haalde er haar Ann Demeulemeester-trui uit. Hij hield hem tegen zijn gezicht. Opium.

Die avond in hotel Bauer had ze de trui gedragen. Ze hadden op het terras gezeten. Met zijn eerste spritz. Dat was haar lievelingsdrank en daarom dronk hij hem ook. Hij was erg onder de indruk geweest van hoe ze kordaat de obers bij zich riep. De afgunstige blikken van de mannen aan de andere tafel waren hem evenmin ontgaan. Ze waren in Venetië  voor de Arsenale. Haar schilderijen verkochten beter dan ooit. Hij had nog nooit een roman afgemaakt. Hij leefde van een uitkering en van haar. Dat knaagde toen al.
Ze hadden veel gedronken die avond. Te veel. Ze werd steeds spraakzamer. Ze begon een gesprek met het koppel aan de tafel ernaast.  Hij werd steeds zwijgzamer. Ze wou nog uitgaan. Hij wilde naar bed. Hij volgde haar uiteindelijk schoorvoetend. Ze bleef maar drinken. Ze raakte in een gepassioneerd gesprek verwikkeld met een Italiaan van wie het hemd te ver naar zijn zin openstond. Hij verstond hen niet, maar hij had het gevoel dat ze met hem lachten. Ze merkte dat hij ongelukkig was. Daarom gingen ze terug naar het hotel, hoewel zij zin had om nog te blijven. Ze liepen naast elkaar, maar niet met elkaar. 
‘Wat heb ik je misdaan?’ doorbrak Gabriëlle tenslotte de stilte. Ze lalde een beetje en dat vervulde hem met afkeer.
‘Niets,’ antwoordde hij. Hij kon niet voorkomen dat hij mokkend klonk.
‘Spreek dan toch man. Ik ben je eeuwig gezwijg zo beu!’ schreeuwde ze.
‘Die man stond met jou te flirten waar ik bij stond.’
‘Bram, doe niet zo onnozel. Zo zijn Italianen.’
‘Jullie waren met mij aan het lachen.’
‘Wat haal je toch in je hoofd. Waarom zou ik met je lachen? Word toch volwassen, man.’
Hij haalde zijn neus op.
‘Begin nu niet te janken.’ Gabriëlle wankelde op haar hakken. God, wat was ze mooi.
‘Sorry, het spijt me.’
Gabriëlle had haar open schoentjes uitgetrokken en liep nu op haar blote voeten voor hem uit. In een kronkelende lijn, maar verbazend snel.
Hij liet haar de rest van de terugweg alleen lopen. Maar in de hotelkamer in het donker vonden hun lichamen elkaar weer.
‘Het spijt me,’ fluisterde hij nog eens huilend in haar oor.
Door haar had hij even nieuwe moed gevat. Hij zou die bestseller schrijven. In plaats van meer te schrijven, was hij echter minder gaan schrijven. Hij wou alleen maar bij haar zijn. Altijd. Overal. Zij was steeds meer gaan drinken. Altijd. Overal. 

vrijdag 21 oktober 2011

Pasta pesto

Bezweet en een beetje buiten adem komt ze in de kunstacademie aan. Snel werpt ze een blik in de spiegel. Haar mascara is wat uitgelopen. Met speeksel probeert ze het zwart weg te vegen. Haar gewoonlijk zo keurige dot ziet er nu als een oude hooiberg uit. Boven wordt er druk gepraat. Terwijl ze de trap oprent, strijkt ze met haar tong langs haar lippen. Zout van het zweet, zoet van de amaretti. De smaken van look en verse basilicum hebben zich met die van de espresso vermengd. Voordat ze de deur van het lokaal opent, bedenkt ze dat hij wel goed kan koken.

Ze excuseert zich bij de leerlingen omdat ze te laat is. Naarstig zoekt ze naar een uitleg. Ze schraapt haar keel, maar voordat ze kan spreken, is een overijverige leerling haar voor: ‘Het verkeer zat echt muurvast,’ zegt hij.
Verschrikt kijkt ze hem aan. Ze duizelt en kan opeens alleen nog maar denken aan wat er echt gebeurd is. Als ze nu maar niet rood wordt. Ze antwoordt niet, maar zet haar boekentas neer. Haar hand trilt een beetje als ze een stuk krijt neemt om haar naam op bord te schrijven. Zo hoeft ze haar leerlingen niet aan te kijken. Als ze zich weer omdraait, is het muisstil geworden. Tien paar ogen staren haar aan. Iemand grinnikt.
Opnieuw is hij het die het woord neemt: ‘Mevrouw Della Vasquez,’ zegt  de jongeman, ‘uw rok zit niet goed.’
Ze kleurt nu helemaal rood. Met beide handen grijpt ze haar rok vast, voelt aan haar ristsluiting. Die staat open. Ze sluit hem haastig. Ze knoopt haar blouse ook nog wat hoger dicht. Ze heeft het nu gloeiend heet. Net op tijd kan ze gaan zitten.
‘Voelt u zich wel goed?’ Het is opnieuw de jongeman die het woord neemt.
De andere leerlingen zwijgen nog steeds. Ze lijken haar alleen maar aan te kunnen staren.
Ze ademt zwaar. ‘Een beetje water.’
Hij staat onmiddellijk op. Ze volgt hem met haar ogen. Dat slanke lange lichaam. Die lange haren die bij elke beweging lichtjes met zijn lichaam meedeinen. Ze sluit haar ogen. Zijn handen. Snel opent ze haar ogen weer.
‘Een bekertje met water, mevrouw. Alstublieft.’ Behendig brengt hij de beker naar haar lippen.
‘Dank u, het zal wel gaan.’ Ze wordt zich weer bewust van de situatie. Ze zit hier in haar klas aan het begin van een nieuw academiejaar en ze is zich aan het aanstellen. Dit allemaal omdat het toeval wil dat de man met wie ze zonet pasta pesto heeft gegeten, haar lessen komt volgen. Ze duwt zijn hand weg en gaat recht op haar stoel zitten. De jongeman heeft de boodschap begrepen. Hij gaat terug op zijn plaats zitten.
Met de opperste concentratie begint ze aan haar les. Aanvankelijk probeert ze zijn blik te vermijden, maar na een tijdje gaat ze zo op in de tekst van Adriaan van Dis, dat ze het gebeuren dat aan de les voorafging zelfs vergeet. Ze kan hem nu weer aankijken. Hij zit voorovergebogen over zijn schrift notities te maken. Hij maakt geen opmerkingen meer.
Op het einde van de les verzamelt ze haar boeken en notities. De leerlingen verlaten één voor één het lokaal. Een ongelooflijke vermoeidheid maakt zich opeens van haar meester. Ze laat haar schouders zakken en gaat weer even zitten. Ze verbergt haar gezicht in haar handen.
‘Mevrouw.’
De jongeman staat weer voor haar.
‘Hebt u geen zin om bij mij spaghetti te komen eten?’
Ze kijkt hem niet begrijpend aan.
‘Hoezo. Ik begrijp het niet. Maak je een grapje?’
‘Nee, waarom zou ik? Ik vind u sympathiek. En mijn broer, mijn tweelingbroer Tristan, zou vandaag spaghetti maken. Er is vast en zeker genoeg voor drie.’ 

zondag 4 september 2011

Pukkelpop

Luister eens naar skunk anansie.

Op donderdag 18 augustus ging ik voor het eerst naar Pukkelpop. Tot die dag had ik nul komma nul festivalervaring. De dag was grijs begonnen. Een vriend had ons opgepikt en toen de laatste man in de wagen zat, vertrokken we naar Limburg. Onderweg regende het nog, maar eenmaal daar, brak de zon door en werd het gloeiend heet. Wie had gedacht dat de dag zo dramatisch zou eindigen?

Bijna was ik er helemaal niet bij geweest. Ik had te lang getwijfeld en alle kaarten waren uitverkocht. Pas de zondag voor Pukkelpop kreeg ik onverwacht nog een kaart van een vriend van een vriend, die zelf niet kon komen. 
"Pas op, " waarschuwde hij me nog "op het ticket staat dat het niet overdraagbaar is." 
Ik sloeg zijn raad echter in de wind.

Maar dat was weer nonchalant van mij of noem het lui of vol vertrouwen of naïef. Want met een ticket op andermans naam, geraakte ik inderdaad niet binnen. Ik moest mijn identiteitskaart tonen of 'iets anders waarmee ik me kon identificeren'. Vanaf dan werd ik van het kastje naar de muur gestuurd. Ik ging van de helpdesk naar de ticketbalie en weer naar de helpdesk. Ik probeerde het wel driemaal aan elk loket. Ik huilde, smeekte, dreigde, duwde zelf mijn hele portefeuille door het raampje van het loket. Het ticket had ik immers eerlijk gekregen van een vriend die niet kon komen. Mijn vriend bleef heel redelijk en kalm. Maar niets baatte. Zoals een gevangene er alles aan doet om buiten te geraken, zo wou ik alles doen om binnen te geraken. Uiteindelijk kocht mijn vriend mijn toegang tot mijn eerste festival. De bevestiging van het  zo gewilde gouden bandje had iets van een inwijding. Eindelijk was ook ik één van de duizenden Pukkelpoppers. Wie had toen gedacht dat dit festival nog maar een uur zou duren?

Ik voelde me net een kind in een attractiepark: met een rad, tenten, kraampjes en natuurlijk voor muziek. Het was feest. Het gras was groen. Overal blije gezichten. Wie had ooit gedacht dat deze weide over een uur in een moddervijver veranderd zou zijn? De meisjes in hun shorts zouden bibberen van de kou. Van de tenten zouden er niet meer veel rechtstaan.
Maar nu was ik gelukkig dat ik erbij was, dat ik op het festival was, waar mijn vriend een heel jaar naar uitkeek. Samen liepen we naar de mainstage, naar zijn vrienden die altijd 'links van de P.A.*' afspraken. Daar aten we ons ijsje en dronken wat bier en kalmeerde ik. We waren nog op tijd voor Skunk Anansie. In de auto hadden we de lijst met groepen die optraden, doorgenomen. Ik kende Gorki en Stromae en SX en de Foo Fighters (waar mijn vriend het al maanden over had). Verder was ik echter zo groen achter mijn oren als het festivalgras. Skunk Anansie kende ik dus niet. Voor de weinigen anderen die haar niet kennen: het is een prachtvrouw met een prachtfiguur en een fantastische conditie. Daarenboven zingt ze goed.

Skunk Anansie verscheen op het podium in een zwart verengewaad. Dramatisch. Ondertussen begon de hemel te betrekken. De vriend van wie ik de kaart had, stuurde een sms. Er kwam een geweldig onweer op ons af. We lachten het weg. Het begon even te druppelen. Toen werd het weer droog. Gelukkig. Ik had geen zin om kletsnat te worden. Ik wist dat mijn regenjas niet echt waterproof was. De bende mannen om mij heen, trokken zich van de regen niets aan. Ze gingen volledig op in de muziek. Terecht. Totdat het even later weer begon te regenen. En  dan te gieten. Te waaien. Te stormen. Ik werd doornat (dit vond ik niet leuk meer). De vriendengroep splitste. Een vriend bleef schuilen bij de P.A. Ik volgde mijn vriend en zijn andere maat. Opeens werd het zoeken van een schuilplaats vluchten voor de storm. De paniek sloeg me om het lijf. Ik was bang om omver te worden gewaaid. Ik voelde takken om me heen vliegen en de hagelbollen deden pijn. Ik werd angstig. De storm had apocalyptische proporties aangenomen, zoals je kan zien op deze you tube-film: http://www.youtube.com/watch?v=9w3ZsAb5ikA.

Een nanoseconde later stond de wereld stil. Vlak voor ons was een boom omgevallen.** Mijn vriend dook onmiddellijk onder de boom om mensen te helpen. Hij aarzelde geen seconde. Ik was verstijfd en gewoon bang om hem kwijt te raken. Hij haalde een meisje onder de takken vandaan. Ik besefte toen helemaal niet hoe erg ze eraan toe was. Ik was zelf verdwaasd. Hij besefte het wel. Hij zocht een schuilplaats voor ons. Het leek het einde van de wereld wel. Een horrorfilm. Al het moois was in een paar seconden in een drama veranderd. We gingen bij een van de kraampjes staan. Een heleboel mensen waren naar binnen gekropen, maar wij konden er niet bij geraken. We werden nog steeds even nat, maar we stonden waarschijnlijk wel wat beschut tegen de wind. Ik bibberde heel erg. Ondertussen dreigde het meisje flauw te vallen. We moesten dus wel verder gaan, op zoek naar een hulppost. Toen we die hulppost vonden, was dat voor mij op dat moment het paradijs op aarde. Mijn vriend vertelde me achteraf dat hij nog bang was dat ook die tent zou instorten. Voor mij stond de hulppost echter als een rots in de branding. Stevig en droog. Ik voelde me erg bijdehand omdat in mijn handtas nog twee droge truien zaten: één van mijn vriend en één van mij. Ik trok die zo snel mogelijk aan. Ik wist dat we ten allen prijze moesten vermijden om te onderkoelen. Toen drong de omvang van het drama geleidelijk tot mij door. Ik zag mensen met bloedende hoofdwonden. Ik hoorde een man kermen van de pijn. Het meisje dat mijn vriend had binnengebracht, was er ook erg aan toe. Ik moest met haar blijven praten totdat de ambulance kwam. Ik was blij dat ik iets kon doen. Nuttig kon zijn. Het meisje bleef maar vragen wat er met haar aan de hand was. Ik probeerde haar zo goed mogelijk te kalmeren. Door met haar te praten, werd ik ook rustig.

Buiten was het ergste van de storm voorbij. Toen de ambulance aankwam, verlieten mijn vriend en ik de tent en gingen op zoek naar onze andere vrienden. Het netwerk lag plat, dus we konden elkaar niet bereiken. Eén voor één vonden we elkaar terug. De opluchting was groot. Door de poort waar ik enkele uren tevoren was binnengekomen, waadden we ons nu een weg naar buiten. Ongelooflijk. De wereld was veranderd. De natuur had weer eens getoond hoe de nietig de mens wel is. De straat was afgezet. Politie te paard, brandweer, Willy Claes, ..., overal omvergewaaide bomen en bedrukte mensen die massaal, maar kalm het festival verlieten. We hebben ontzettend veel geluk gehad.

Het meisje hebben we kunnen opsporen. Ze heeft nog een lange herstelperiode voor de boeg, maar het gaat goed met haar.



* P.A. is de afkorting voor Public Address. Het is de vakterm voor de geluidsinstallatie die de muziek (bijv. voor een concert gaat versterken voor het publiek (bron: Wikipedia).

** Aan de Proximusstand.

maandag 15 augustus 2011

Op sollicitatiegesprek


Onlangs had ik een sollicitatiegesprek. Eén van de vragen was hoe ik Jezus zag. Nu ben ik gedoopt, heb ik mijn communie gedaan en heb ik een heel gelovige periode achter de rug. Twee jaar geleden had ik nog vol vuur kunnen praten over hoe mijn geloof mij tot rust bracht en kracht gaf om door te zetten. Op dit moment weet ik het echter niet meer zo goed: het christendom, althans volgens de Ignatiaanse traditie, is vrij intellectueel. Ik had vlak voor mijn depressie een tekst gelezen over hoe het kwaad (de duivel) voortdurend op de loer licht. Het was me even te zwaar geworden, want ik kon precies maar geen goed mens zijn. Wat moest ik doen met al die verlangens die ik had? Sinds mijn depressie heb ik mijn geloof dan ook op stand-by gezet.

Ik zat daar dan ook een beetje met mijn mond vol tanden. De interviewer was duidelijk een gelovig man. Hij vertelde hoe Jezus hem nog dagelijks inspireerde. Ik heb ook alle bewondering voor de bijbelse Jezus en ik vind dat er in het christendom belangrijke waarden zitten. Het respect voor de medemens, bijvoorbeeld. Ik wil oprecht een goed mens zijn. Laten we zeggen dat ik de voorbije twee jaar niet meer heb nagedacht heb over of voeling heb proberen te krijgen met de spirituele en intellectuele kant van het christendom. Ik vind kerken nog wel altijd prachtige plaatsen waar je tot rust kan komen, maar toen ik onlangs de huwelijksviering van een vriendin bijwoonde, kon ik er niet meer in zien. Ik heb ook niet meer de neiging gehad om een kaars te gaan branden en heb niet meer gebeden. Misschien geloof ik wel helemaal niet meer, maar durf ik het uit een soort van bijgeloof niet op te schrijven. Misschien is het christendom ook gewoon te ingewikkeld voor mij...

Hoe dan ook vind ik dat er eigenschappen zijn die ieder mens - en dus ook een christen -  moet bezitten. Eén daarvan is een open geest. Ik huiver van alle vormen van extremisme, op welk gebied dan ook (koppigheid kan ook een vorm van extremisme zijn). Toen mijn interviewer me vroeg of ik de website van het psychiatrisch centrum waarvoor ik solliciteerde, had bekeken, antwoordde ik dat ik dat niet had gedaan, want: "Ik ken het ziekenhuis, ik ben hier voor een depressie behandeld geweest."
De man verschoot zichtbaar en in gedachten zag ik hem een streep door mijn naam trekken.
"U hebt dan hopelijk gemerkt dat u hier niet op uw plaats was?"
"Nee, integendeel, ik ben hier goed geholpen en ik ben genezen met de hulp van de therapeuten die in uw ziekenhuis werken."

Jezus, dat was een man in een lang wit kleed met niets daaronder aan.

maandag 1 augustus 2011

Oude kleding

Bezoek een kerk.
Koop eens niet.


Vandaag stapte een vrouw de winkel binnen. Ze maakte mijn dag goed, ondanks het feit dat ze voor het openingsuur was binnengekomen. Ze was op weg naar haar werk  en had zelfs niet opgemerkt dat de winkel nog gesloten was. Ik merkte dat ze werkkleding droeg. Geen kantoorjob dus. Er was iets bijzonders aan deze vrouw en dus vroeg ik wat ze deed. Haar werk bleek te bestaan uit de restauratie van de enkele huizen verderop gelegen kerk. Zij kocht een jas en nodigde me uit voor een bezoek aan de site. Zo'n kans wou ik niet laten liggen. Ik zou vandaag nog langskomen. In beslag genomen door allerlei praktische beslommeringen en gejaagd zoals zo vaak, vergat ik echter haar uitnodiging. Op weg naar een afhaalkoffie kwam ik toevallig voorbij de kerk. Toevallig stond zij net een sigaret te roken. Zo kreeg ik gelukkig nog de rondleiding. 

Het was niet omwille van de kerk, maar omwille van de vrouw dat ik zo blij was met deze privé-rondleiding. Deze vrouw was bezield door haar werk en dat geluk straalde ze gewoon uit. Het werkte aanstekelijk. Buiten was het heet en was de massa onderweg naar meer - zoals steeds. Binnen was een kleine groep mensen aan het werk en heerste rust. Ze toonde me het altaar. "Geweldig toch dat Rubens dit ook nog heeft aangeraakt." Ze liet me zien hoe bepaalde dingen niet gerestaureerd konden worden omdat men niet wist hoe het er oorspronkelijk had uitgezien. Ze liet me zien waar zij aan het werk was. Ze heeft me met haar vuur aangestoken.

Net zoals de twee mannen die ik zondag leerde kennen. Een stille en een prater. De prater was net terug van een jaar Indië. Eén van de eerste dingen die hij deed toen hij terug in Antwerpen kwam, was een hemd en een broek gaan kopen, want hij kon hier niet, zoals daar, op zijn sandalen en korte broek rondlopen. Het contrast met wat een jaar zijn wereld was geweest, was groot, toen hij over de Meir liep tussen al die mensen op jacht naar kleding. 
De stille had net een huis gekocht op het platteland waar hij met zijn geit, hond en kippen wou gaan wonen. Hij droeg sandalen en grijze wollen sokken. Hij zat daar met zijn stoel tegen de muur van de kathedraal geleund, verdomd op zijn gemak. Als een schaapsherder op een zondags bezoek aan de stad. Deze man slaagde er nog altijd in zonder kostuum een duur betaalde job te doen. Ik had hem voor gisteren nooit ontmoet, maar hij leek echt tevreden zichzelf te zijn. Zo mooi.

zondag 31 juli 2011

De queeste

I.               De rode jurk

Ik was ooit een jong meisje dat aan de rand van het bos ging wonen. Het bos was mysterieus en oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij uit. Als kind hadden mijn ouders mij  verboden om naar het bos te gaan. Nu was ik eindelijk oud genoeg om er te gaan wonen.
Ik had een klein huis, met een Marokkaanse lamp aan het plafond, een houten vloer, een kachel en een wollen tapijt. Het was er gezellig. Hoewel ik altijd veel ouder ben geweest dan mijn leeftijd, was ik op dat moment nog een kind. Nu wou ik graag een vrouw worden, zoals de meisjes om me heen een vrouw waren.


Op de eerste avond dat ik er woonde, regende het pijpenstelen. Ik zat in mijn doorgezakte fauteuil in mijn rode jurk en at een Kinder surprise. Mijn kat zat op mijn schoot, toen er werd aangeklopt. Aan de voordeur stond een doorweekte man met ravenzwart haar, gehuld in een zwarte cape. Naast hem stond een zwarte hond. Hij vroeg of ze mochten schuilen. Ik sloeg de raad in de wind die mijn ouders me als kind hadden bijgebracht: ik liet een vreemde binnen.
Hij zei dat ik speciaal was. Ik wist wat hij wou en ik wist dat ik het hem zou geven. Het was geen liefde, maar het was toch mooi. Hij vertrok. Hij liet geen nummer achter.  Ik rookte mijn eerste sigaret, dat hoorde erbij. 


Nu was ik een vrouw.




II.  Puur zakelijk

Ik kocht een oude wagen. Met open raam, de radio luid en sigaret in de mond reed ik weg. Weg van mijn huis aan de rand van het bos, weg uit het dorp waar ik geboren was. Ik liet iedereen achter. Alleen op de wereld, zonder verwanten, vrij van verplichtingen en banden. Ik bruiste van energie.

De weg die ik had genomen, leidde naar een stad aan een meer, omringd door bergen. De mannen droegen er maatpakken, de vrouwen plooirokken. De mannen deden zaken, gingen naar kantoor; de vrouwen liepen met hun kinderwagen naar de markt. Ze gingen wekelijks naar de kapper en dagelijks naar theekransjes. De obers in de brasseriën droegen gesteven hemden en zwarte smokingjasjes.

Een weduwe bood mij onderdak aan. De kamer was klein, maar had alles wat ik nodig had: een bed, een stoel en een tafel. Aan die tafel ging ik zitten en werkte ik. Ik werkte voordat mijn werkdag begon en nadat hij was geëindigd, werkte ik verder. Een kwaal had  zonder dat ik het  goed en wel besefte, bezit van mij genomen: insomnia. Het werd steeds erger, zodat ik steeds langer werkte. Ik begon geld te verdienen. Het geld stroomde binnen. Ik kon me nu Davidoff veroorloven, liet me maatpakken maken zoals de mannen van de stad. Ik at in de brasseriën met de obers met de gesteven hemden en zwarte smokingjasjes. Van de kamer van de weduwe verhuisde ik naar een vijfsterrenhotel. Ik begon ‘s nachts uit te gaan met mijn beste vriend. Dan rookten en dronken we als mannen onder elkaar. Steevast versierden hij daarna en vrouw en ik een man. Dan wist ik dat ik van hem hield, van mijn beste vriend, en hij niet van mij.*

Dat was het hoogtepunt van mijn carrière.





*Jaren later, toen ik in de psychiatrie zat, schreef hij me en bekende hij me dat hij al die tijd verliefd op mij was geweest.




III.                         De schreeuw

Ik wou slapen, maar ik kon niet. Ik wou voor altijd slapen. Ik wou niets meer beslissen, niet moeten beslissen wat ik zou aandoen, wat te eten, wat te doen. Ik wou me niet meer wassen. Alles was opgave: tanden poetsen, douchen, bodylotion, gezicht reinigen, hydrateren, foundation, mascara, bloss en dan het vreselijke gevecht met de kleerkast. Ik wou die dagelijkse ochtendlijke marteling overslaan en ook de dag voor de computer die daarop volgde. Elke zin die werd geschreven, werd gewist. Ik kon geen zin meer schrijven. De wereld zag het niet. De wereld zag me ’s morgens komen, voor de computer zitten, lachen, sociaal zijn, sporten… Ik wou niet meer voor de computer zitten, lachen, sociaal zijn, sporten. Ik kon niet meer niet te veel eten. Ik at omdat ik niets anders meer kon. Dan kwam de nacht. Iedereen sliep en ik zag in bed elk uur tergend langzaam voorbijgaan en wou terug opstaan, maar ik had de energie niet. Ik had de energie niet. Tenslotte stond ik toch op om het toch weer een dag lang toch nog vol te houden en elke keer denken niet meer te kunnen en toch nog kunnen. Ik bleef maar kunnen doorgaan en doorgaan en doorgaan en doorgaan en doorgaan en doorgaan en niemand zag het, niemand zag het, niemand zag het.

De dokters gaven pillen. De dokters hadden beslist dat ik pillen moest nemen. Eindelijk moest ik niet meer beslissen. Ik moest naar de psychiatrie. Zo lang ik maar niet moest beslissen.

Als de rozen in het water terechtkwamen, gingen ze langzaam open. Bloedrode rozen en bloedrode polsen. Ik zat op een bankje in de psychiatrie. De zon kleurde alles bloedrood. Ik kon me niet bewegen. Vanbinnen voelde ik zo veel, maar ik kon niet bewegen. De gieren cirkelden boven mijn hoofd. De wereld sliep en ik was klaarwakker. De wereld sliep en ik werd langzaam gek. Ik vond een eind van een sigaret in mijn bebloede zakken en die stak ik op. Het as viel op mijn schoot. Mijn longen brandde. Ik wou schreeuwen. Ik spande mijn verbrande longen op, mijn lichaam dat niet meer als het mijne voelde, maar als een lelijk ding. Toen de lucht donkergrijs werd en alles in as hulde, rolde er een traan uit mijn ooghoek over mijn wang, drupte van mijn kin en kwam in mijn schoot terecht. Ik schreeuwde. Ik schreeuwde, zoals ik nog nooit had geschreeuwd. Daarna heb ik veertig dagen gehuild.




IV.                        Het oude land

Op een dag deed ik het gewoon: ik vertrok uit de rode rozentuin. Ik had geen auto meer, geen job, geen geld, geen bezit. Ik vertrok te voet en ik wandelde en wandelde en wandelde. Ik wandelde totdat ik niets meer zag door een dikke grijze mist. Ik rook zilte lucht en hoorde  gebeuk tegen rotsen. Ik voelde hoe ik bij elke stap wegzakte in zachte grond en de wind begon een spel met mijn lange haren. Ik proefde zout op mijn lippen. De zee. Een visser was bereid me over te zetten.

Het land aan de andere kant was natgroen met duifgrijze wolken, met bemoste graven met rode lichtjes, stenen hoeves en schapen zonder herders. Ik was in een oud land terechtgekomen. In een van de hoeves, omringd door een appelboomgaard, woonde een druïde. Ik bleef lang bij hem.


Het eerste jaar leerde ik terug slapen. Ik sliep en sliep. Als ik wakker werd, was hij al lang op stap. Dan zwierf ik door zijn huis met de verborgen trappen en verrassende kamers. Ik droomde urenlang voor het raam in mijn zolderkamer met het bebloemde bed. Ik wandelde tussen de appelbomen of zat te soezen met zijn kat in zijn tuin onder zijn enige kersenboom. ’s Avonds als hij terugkwam van zijn dagtocht maakte hij het lekkerste eten voor me klaar.
Het eerste jaar sprak ik niet. De druïde begreep me.


Het tweede jaar leerde hij me de boomgaard onderhouden. Hij nam me mee op zijn tochten en ik werd goed in het vinden van maretak, kruiden en eetbare vruchten en paddenstoelen, het lezen van de bomen, ontcijferen van het aren en het analyseren van de vlucht van de vogels.

Het derde jaar was ik klaar voor mijn zoektocht.




V.   De kunststad

Ik meerde aan in een stad met vele kanalen en stegen. De stegen en kanalen vormden een doolhof. De inwoners droegen maskers van gloeiend roodgoud tot schitterend zilverblauw. Iedere persoon was uniek. Ik wist nooit of ik hem of haar al eerder had ontmoet. Het was een stad van oude en nieuwe kunstenaars.
Ik wandelde en verdwaalde. Ik verdwaalde elke keer opnieuw. Gaandeweg ontdekte ik  dat alles wat ik zag, hoorde, deed, at, las, maar één keer zou kunnen zien, horen, doen, eten, lezen. Een maaltijd zou nooit meer dezelfde zijn. Iedere schilder, muzikant, dichter, zou ik maar eens treffen. Daarom was elk gesprek intens. Ik leerde in het heden te leven, want ik wist dat ik het nooit meer zou kunnen herbeleven: een nooit tevoren gehoorde opera, die straatmuzikant, dat beeld, dat eten, dat gesprek, die binnenplaats.  Ik begon te leven zoals de inwoners van de stad. Ik genoot. Ik bezocht een museum van oude kunstenaars en keek. Ik zat op het grote plein en de wind waaide door mijn haren. En ik keek. Ik keek en zag voor het eerst. Ik was weer gelukkig. Mijn lichaam was het mijne weer.

Toen ik vertrok, droeg ik een masker en het kostuum gemaakt door een ontwerper van de stad die ik nooit meer heb teruggezien en van een stof die ik nooit meer heb teruggevonden. Nog ietwat onwennig voelde ik het korte haar in mijn nu naakte nek. 

Een nieuw begin.




VI.                        Het café van de muzen

Op een regenachtige avond liep ik door de sierlijk verlichte straten van het verleden. Ik had de kraag van mijn lange regenjas omhooggeslagen en werd stilaan doornat. Het water stond al in mijn nieuwe herenschoenen. Mijn paraplu had ik weggegeven aan een oude bedelaar en zijn mooie bruine hond. Ik liep voorbij de kade met een boot vol heimwee van dronken zeemannen, voorbij Naald en Draad, het Zoete Broodje, het Boerenbedrog, het Frauduleuze Faillissement, de Boekhandel van Nooit en de LP  enz. enz. Ik was in gedachten verzonken, toen opeens een zwarte onbeschrijflijk mooie vrouw me liet schuilen onder haar Engelse degelijke paraplu. Ze vroeg of ik zin had om mee te komen naar het café van de muzen. Ik had mijn Herinnering ontmoet. Het zou nog niet meteen met regenen ophouden, maar ook als de zon had geschenen, was ik haar gevolgd.

Het café zag grijs van de rook. Er brandde een haardvuur. Het was alsof ik in een herberg voor mensen op doorreis was aangekomen. Hoewel het ook iets had van een bar uit een western. En van een bistro in Parijs. Er werd een geroezemoesd. De meest diverse dranken werden gedronken: meibier, Goudshoning, Ambrozijn, café cortado, whiskey en whisky, gin tonic, het gevaarlijke absinth… Aan een tafel zat de schrijfster uit mijn jeugd, wat verderop dronk de dichter uit mijn sombere jaren, mijn sprookjesfiguren en de detective uit mijn favoriete misdaadromans, de filosofen die ik had aanbeden... Waar ik ook keek, zag ik mensen die ik vergeten was. Geëmotioneerd zocht ik een lege tafel. Ik ging zitten, bestelde drank en keek. Ik keek naar mijn verleden. Ik keek en dronk. Ik vergat de tijd en doezelde weg. Plots schrok ik wakker. Het was alsof de bliksem was ingeslagen. Er ging een schok door mij heen, mijn hart klopte in mijn keel. Ik voelde iets wat ik nooit eerder had gevoeld. Dringend vroeg ik de waardin om pen, inkt en papier. Ik begon te schrijven. Ik schreef als een razende. Ik schreef totdat het laatste blad papier volgeschreven was. Een beetje angstig legde ik mijn pen neer. Er was echter geen rede om te vrezen. Naast mij aan tafel zat nog steeds mijn muze.



Epiloog

Ik bevond me in een schilderij of was het op het strand? Ik was schrijfster en droomde dat ik kinderen had.

Of was ik moeder en droomde ik dat ik schrijfster was die over het strand liep en droomde dat ze kinderen had?

Voor mij was het strand ongerept en verlaten. Misschien moest ik achterom kijken en zien of ik voetsporen in het zand achterliet. Als ik achterom keek, zou ik misschien zien of het allemaal gedroomd was.

Misschien had ik alles opgeschreven.

Misschien was het toch allemaal echt gebeurd.

Of niet.

Ook dat van de kinderen.

Niet.